020 530 0160
p2b regulation

Online Platform Jurisprudentie

Last updated 28 mei 2020

Hof van Justitie van de Europese Unie

HvJ-EU 9 juli 2020, C-264/19, ECLI:EU:C:2020:542 (Constantin Film Verleih/YouTube)

Onderwerp: Auteursrechtinbreuk, piraterij, recht op informatie

Geschil: Constantin Film Verleih is een Duitse distributeur van films. Zij bezat de exclusieve rechten op 2 films. In de loop van 2013 en 2014 zijn deze werken zonder toestemming geüpload op YouTube en tienduizenden keren op dit platform bekeken. Constantin Film Verleih verzocht daarop YouTube en moederbedrijf Google dat zij haar een reeks gegevens verschaffen over elk van de betrokken gebruikers die de werken heeft geüpload. Nadat enkele verzoeken zijn afgewezen, houdt Constantin Film Verleih vast aan haar vordering dat YouTube en Google worden veroordeeld om haar de mobiele telefoonnummers, e-mailadressen en IP-adressen van de betrokken gebruikers te verstrekken.

Uitspraak: De vordering hangt af van de uitleg van artikel 8, lid 2, onder a) van de Handhavingsrichtlijn (2004/48), in het bijzonder van het antwoord op de vraag of deze door Constantin Film Verleih gevraagde aanvullende gegevens onder het begrip “adressen” in de zin van deze bepaling vallen. Het Europees Hof volgt de conclusie van de Advocaat-Generaal en stelt dat het begrip “adressen” niet ziet op het e-mailadres en het telefoonnummer van de gebruiker en het IP-adres dat is gebruikt om de bestanden te uploaden. Het Hof overweegt dat rekening moet worden gehouden met de gebruikelijke betekenis van het begrip “adres”, de voorbereidende werkzaamheden bij de Handhavingsrichtlijn, de context waarin het begrip wordt gebruikt en de algemene doelstelling van de richtlijn. Geconcludeerd wordt dat de houder van IE-rechten de operator, ter handhaving van het recht op informatie onder de richtlijn, mag verplichten om het postadres van de betrokken gebruikers te verstrekken, maar niet het e-mailadres, telefoonnummer of IP-adres.

Link: klik hier voor de volledige tekst van het arrest.

HvJ-EU 2 april 2020, C-567/18, ECLI:EU:C:2020:267 (Coty/Amazon)

Onderwerp: Gebruik van merken, merkinbreuk, aansprakelijkheid

Geschil:  Coty distribueert luxecosmetica en is licentiehouder van het Uniemerk “DAVIDOFF”. Via de elektronische marktplaats van Amazon wordt het parfum “Davidoff Hot Water”, waarvan de aan het betrokken merk verbonden rechten niet waren uitgeput, door een derde verkoper verkocht. Omdat Amazon het parfum voor de verkoper opsloeg, werd van haar gevorderd deze voorraad af te geven. Vervolgens stuurde Amazon dertig exemplaren op, waarvan elf van de dertig afkomstig waren uit voorraden van een andere verkoper. Amazon kon Coty niet voorzien van identificatiegegevens van deze andere derde verkoper. Als gevolg daarvan is Amazon voor de rechter gedaagd wegens merkinbreuk en is zij aansprakelijk gesteld voor de ontstane schade.

Uitspraak: Het Europees Hof stelt vast dat er geen sprake is van “gebruik” van een teken door Amazon, in de zin van artikel 9, lid 2 en lid 3, sub b, van de Uniemerkenverordening 2017. Een marktdeelnemer die inbreukmakende waren voor een derde opslaat zonder kennis te hebben van de inbreuk en zonder dat de opslag heeft plaatsgevonden met het oogmerk de waren zelf aan te bieden of te verhandelen, “gebruikt” het merk niet. Dit kan anders zijn als de marktdeelnemer die de waren opslaat deze voor eigen rekening heeft opgeslagen of als hij niet in staat is om te identificeren voor wie hij de inbreukmakende waren in bezit heeft. Anders dan de advocaat-generaal heeft het Europees Hof een enge benadering gevolgd, waarbij het Hof zich richt op de verschillende entiteiten die verschillende diensten leveren, in plaats van op Amazon en haar integrale diensten binnen het distributieproces.

Link: Klik hier voor de volledige tekst van het arrest.

HvJ-EU 19 december 2019, C-390/18, ECLI:EU:C:2019:1112 (Airbnb)

Onderwerp: Intermediary, Information Society Service

Geschil: De zaak betrof een geschil tussen AHTOP (Franse vereniging voor professionele accommodatie en toerisme) en Airbnb Ireland. Airbnb Ireland biedt een elektronisch platform aan, dat in ruil voor een commissie professionele aanbieders en particulieren in staat stelt om accommodatie aan te bieden en te boeken. Daarnaast biedt Airbnb Ireland de “hosts” aanvullende diensten, zoals een format voor het vastleggen van de inhoud van hun aanbod, een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering, een tool voor het schatten van hun huurprijs en betalingsdiensten voor de levering van deze diensten. De AHTOP betoogt dat Airbnb daarom is aan te merken als een vastgoedmakelaar, waarbij een verplichte beroepskaart ontbrak. Volgens de AHTOP is dit in strijd met de nationale wet in Frankrijk die van toepassing is op de activiteiten van vastgoedprofessionals. Airbnb voerde aan dat het platform niet onder deze specifieke wetgeving valt op grond van de E-commerce richtlijn.

Uitspraak: Het Europees Hof oordeelt dat de bemiddelingsdienst van het platform, welke voornamelijk bedoeld is om (tegen vergoeding) potentiële gasten in contact te brengen met (niet-)professionele “hosts” die huisvestingsdiensten aanbieden, dient te worden aangemerkt als een “dienst van de informatiemaatschappij” zoals gedefinieerd in de E-commerce richtlijn. Dit terwijl Airbnb Ireland naast haar bemiddelingsdienst ook een bepaald aantal andere diensten aanbiedt. Bijgevolg staat het “land van oorsprong”-principe overeenkomstig de E-commerce richtlijn in de weg aan de toepassing van de specifieke Franse wetgeving voor vastgoedmakelaars.

Link: Klik hier voor de volledige tekst van het arrest.

HvJ-EU 19 december 2019, C-263/18, ECLI:EU:C:2019:1111 (NUV/Tom Kabinet)

Onderwerp: Auteursrechtinbreuk, distributierecht, uitputting, mededeling aan het publiek

Geschil: Het online platform van Tom Kabinet stelde de consument in staat om zijn of haar gekochte e-boeken te uploaden en te verkopen. Volgens de Nederlandse uitgeversbond NUV is dit alleen toegestaan met toestemming van de rechthebbende, aangezien het downloaden een “mededeling aan het publiek” is als bedoeld in artikel 3, lid 1, van de Auteursrechtrichtlijn. Tom Kabinet is het hier niet mee eens en stelt dat vanaf het moment dat de eerste verkoop van het e-boek door de rechthebbende plaatsvindt, de distributierechten zijn uitgeput en klanten deze e-boeken mogen doorverkopen. De centrale vraag is dus of digitale bestanden – in het bijzonder e-boeken – net als fysieke producten en ook software vatbaar zijn voor “uitputting”.

Uitspraak: Het Europees Hof oordeelt dat de verkoop van tweedehands e-boeken via een website een mededeling aan het publiek vormt op grond van artikel 3, lid 1, van de Auteursrechtrichtlijn. Deze handeling is onderworpen aan de toestemming van de rechthebbende. Het aanbieden van e-boeken via Tom Kabinet, door middel van een download voor permanent gebruik, valt bovendien niet onder het recht van “distributie onder het publiek” op grond van artikel 4, lid 1, van de Auteursrechtrichtlijn. Behalve software zijn digitale werken als e-boeken, muziek en films dus niet aan uitputting onderhevig.

Link: Klik hier voor de volledige tekst van het arrest.

HvJ-EU 3 oktober 2019, C-18/18, ECLI:EU:C:2019:821 (Glawischnig-Piesczek/Facebook)

Onderwerp: Illegale content, internet service providers, toezichtverplichting, gerechtelijk bevel

Geschil:  Eva Glawischnig-Piesczek is lid van de Nationale Raad in Oostenrijk, voorzitter van de parlementaire partij “De Groenen” en federaal woordvoerder van die partij. Een Facebook-gebruiker plaatste opmerkingen op het platform die schadelijk waren voor haar reputatie. Glawischnig-Piesczek gaf Facebook vervolgens de opdracht om de specifieke opmerking te verwijderen, evenals andere beschuldigingen die identieke en/of een gelijkwaardige inhoud bevatten. Facebook weigerde dit echter. De specifieke post bevatte een artikel uit het Oostenrijkse online nieuwsmagazine oe24.at getiteld: “Groenen: vóór het behoud van een minimuminkomen voor vluchtelingen”. Het bericht genereerde een “thumbnail” van de oorspronkelijke site, met daarin de titel en een korte samenvatting van het artikel en een foto van Glawischnig-Piesczek. Dezelfde gebruiker publiceerde ook een commentaar dat door de Oostenrijkse rechter al schadelijk was bevonden voor de reputatie van Glawischnig-Piesczek, haar beledigde en een lasterlijke inhoud had.  

Uitspraak: Het Europees Hof oordeelt dat de E-commerce richtlijn een evenwicht tot stand heeft willen brengen tussen de verschillende belangen die op het spel staan. Het verbod op een algemene toezichtverplichting voor platforms (artikel 15 van de E-commerce richtlijn) belet de nationale rechter echter niet om platforms als Facebook te bevelen om illegale inhoud te verwijderen, evenals (toekomstige) inhoud die “identiek” of “gelijkwaardig” is aan inhoud die eerder onrechtmatig is bevonden. De verwijdering of het bevel tot verwijdering van deze inhoud is bovendien wereldwijd van toepassing. Door het gebruik van de brede termen “identiek” en “gelijkwaardig” laat de rechter ruimte voor discussie over de reikwijdte ervan.

Link: Klik hier voor de volledige tekst van het arrest.

HvJ-EU 20 december 2017, C-434/15, ECLI:EU:C:2017:981 (Uber)

Onderwerp: Tussenpersoon, dienst van de informatiemaatschappij

Geschil: Een beroepsvereniging van taxichauffeurs uit Spanje heeft een procedure tegen Uber aangespannen. In tegenstelling tot de professionele taxichauffeurs hebben noch Uber noch de chauffeurs die ritten aanbieden via Uber de vergunningen en machtigingen die vereist zijn onder Spaans recht. De Spaanse rechter was van oordeel dat moet worden bepaald of de door Uber verrichte diensten moeten worden beschouwd als vervoersdiensten, diensten van de informatiemaatschappij of een combinatie van beide. Het antwoord op de vraag of er al dan niet een voorafgaande administratieve vergunning vereist is, hangt af van de kwalificatie van Uber.

Uitspraak: Het Europees Hof oordeelt dat Uber niet kwalificeert als een “dienst van de informatiemaatschappij”. De bemiddelingsdienst van Uber moet worden beschouwd als een integraal onderdeel van een algemene dienst waarvan het hoofdbestanddeel een vervoersdienst is en moet daarom worden gekwalificeerd als “een dienst op het gebied van vervoer”. Bijgevolg is dat Uber wordt uitgesloten van het toepassingsgebied van het vrij verkeer van diensten in het algemeen en van de Dienstenrichtlijn en de E-commerce richtlijn. Uber moet zich daardoor houden aan de nationale wetgeving in Spanje met betrekking tot het bezit van een rijbewijs voor haar chauffeurs.

Link: Klik hier voor de volledige tekst van het arrest.

HvJ-EU 6 december 2017, C-230/16, ECLI:EU:C:2017:941 (Coty/Parfümerie Akzente)

Onderwerp: Mededingingsrecht, contractuele voorwaarden, luxegoederen

Geschil: Coty Duitsland, een leverancier van luxe parfums, had een conflict met een van haar erkende distributeurs Parfümerie Akzente. De overeenkomst tussen partijen verbood distributeurs als Parfümerie Akzente om de goederen online te verkopen via platforms van derden. Ondanks deze contractuele bepaling verkocht Parfümerie Akzente de goederen van Coty wel via amazon.de. Omdat het niet zeker is of een clausule als zodanig rechtmatig is volgens het Europese mededingingsrecht, heeft het Oberlandesgericht vragen voorgelegd aan het Europees Hof.

Uitspraak: Het Europees Hof oordeelt dat het Europees recht zich niet verzet tegen een contractueel beding dat erkende distributeurs van een selectief distributienetwerk van luxegoederen verbiedt de betrokken goederen via platforms van derden te verkopen voor internetverkoop, indien:

i)  dat beding tot doel heeft het luxe-imago van de betrokken waren te behouden;

ii) het op uniforme wijze is vastgesteld en niet op discriminerende wijze wordt toegepast, en

iii) het beding evenredig is in het licht van het nagestreefde doel.

Het Hof lijkt daarmee vast te stellen dat de clausule aan deze criteria voldeed. Met betrekking tot hetgeen onder iii) bepaalt het Hof nog dat Coty de platforms niet daadwerkelijk kan dwingen de aan haar erkende distributeurs opgelegde kwaliteitscriteria na te leven, aangezien er geen contractuele relatie tussen Coty en het platform van derden bestaat.

Link: Klik hier voor de volledige tekst van het arrest.

HvJ-EU 14 juni 2017, C-610/15, ECLI:EU:C:2017:456 (Brein/Ziggo XS4ALL)

Onderwerp: Inbreuk op het auteursrecht, mededeling aan het publiek, anti-piraterij, gerechtelijk bevel

Geschil: De anti-piraterij organisatie Stichting BREIN verzoekt om een verbod voor internetproviders Ziggo en XS4ALL. Stichting Brein gaf deze twee accessproviders opdracht de toegang tot het file sharing platform “The Pirate Bay” voor haar gebruikers te blokkeren. Of het verzoek moet worden toegewezen, hangt af van de interpretatie van artikel 8, lid 3, van de Auteursrechtrichtlijn, dat bepaalt dat “de lidstaten zorgen ervoor dat de rechthebbenden kunnen verzoeken om een verbod ten aanzien van tussenpersonen wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten“.

Uitspraak: Het begrip “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van de Auteursrechtrichtlijn moet aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op het via internet beschikbaar stellen en beheren van een platform dat voor de uitwisseling van bestanden dat, door middel van indexering van metagegevens over beschermde werken en het ter beschikking stellen van een zoekfunctie, de gebruikers van dat platform in staat stelt die werken te lokaliseren en te delen in het kader van een “peer-to-peer” netwerk. Door de werken ter beschikking te stellen aan haar gebruikers maakt The Pirate Bay dus inbreuk op de auteursrechten van de rechthebbende die geen toestemming heeft gegeven. Dit betekent dat een bevel zoals verzocht door de Stichting BREIN, accessproviders kan dwingen om de toegang tot bepaalde webpagina”s te blokkeren.

Link: Klik hier voor de volledige tekst van het arrest.

HvJ-EU 9 november 2016, C-149/15, ECLI:EU:C:2016:840 (Wathelet)

Onderwerp: Consumentenrecht, aansprakelijkheid, bemiddeling

Geschil: Een consument kocht een tweedehands auto van een autohandelaar, waarna deze kapot ging. Na reparatie van de auto door de autodealer kreeg de consument een factuur met betrekking tot de reparatiekosten. De consument was van mening dat de kosten van de reparatie door de autohandelaar, als verkoper van het voertuig, betaald moesten worden. De autodealer is juist van mening dat hij niet verantwoordelijk is voor de kosten, aangezien hij niet de verkoper van de auto is, maar in de hoedanigheid van tussenpersoon namens een andere particulier handelt.  

Uitspraak: Het begrip “verkoper” in de zin van artikel 1, lid 2, sub c, van de Richtlijn consumentenkoop kan aldus worden uitgelegd dat het mede ziet op een handelaar die voor rekening van een particulier handelt wanneer hij zich vanuit het oogpunt van de consument presenteert als de verkoper van consumptiegoederen in het kader van een overeenkomst in de uitoefening van zijn handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteit. In deze situatie kan de consument zijn consumentenrechten inroepen tegen de tussenpersoon, die de consument niet naar behoren heeft geïnformeerd over zijn rol als tussenpersoon.

Link: Klik hier voor de volledige tekst van het arrest.

HvJ-EU 6 oktober 2015,  C-362/14, ECLI:EU:C:2015:650 (Facebook/Schrems)

Onderwerp: Privacy, gegevensbescherming, datadoorgifte, bewaren van persoonsgegevens

Geschil: Door het registreren van een Facebookaccount gaan Facebook-gebruikers ermee akkoord dat het social media platform hun persoonsgegevens mag doorgeven en opslaan in de VS. Schrems heeft een klacht ingediend met betrekking tot deze doorgifte van persoonsgegevens buiten de EU bij de Ierse privacytoezichthouder. Volgens Schrems biedt de Amerikaanse wetgeving en de huidige praktijk op het gebied van gegevensbescherming onvoldoende waarborgen voor de bescherming van persoonsgegevens. In dat verband verwijst hij naar de onthullingen van Edward Snowden in 2013 over de activiteiten van de Amerikaanse inlichtingendiensten en in het bijzonder de National Security Agency.

De Ierse privacytoezichthouder heeft de klacht van Schrems met betrekking tot het adequaatheidsbesluit (“Safe Harbour”) van de Europese Commissie uit 2000 verworpen. In dit besluit staat dat de VS een adequaat niveau van bescherming bieden als een bedrijf de Safe Harbour-beginselen heeft aanvaard.

De Privacyrichtlijn bepaalt dat persoonsgegevens alleen naar een derde land (buiten de Europese Economische Ruimte) mogen worden doorgegeven als dat derde land een passend niveau van privacybescherming biedt. De richtlijn bepaalt ook dat de Europese Commissie kan vaststellen dat een derde land een passend beschermingsniveau waarborgt op grond van nationale wetgeving of internationale verplichtingen.

Uitspraak: Het Europees Hof verklaart de Safe Harbour-regeling van de Europese Commissie ongeldig. De Europese Commissie heeft niet onderzocht of de Verenigde Staten op grond van nationaal recht of internationale verplichtingen daadwerkelijk een niveau van bescherming van de grondrechten garanderen dat in wezen gelijkwaardig is aan het niveau dat binnen de EU geldt. Het hof merkte op dat de overheidsinstanties in de VS zelf niet onderworpen zijn aan de Safe Harbour-beginselen. Bovendien hebben de vereisten inzake nationale veiligheid, openbaar belang en wetshandhaving van de VS voorrang op de Safe Harbour-regeling, zodat de Amerikaanse ondernemingen de privacyregels van die regeling zonder enige beperking buiten beschouwing moeten laten wanneer deze in strijd zijn met die vereisten. Door de Safe Harbour-regeling voor de VS ongeldig te verklaren, is een belangrijke rechtsgrond voor de overdracht van persoonsgegevens aan de VS weggevallen.

Link: Klik hier voor de volledige tekst van het arrest.

HvJ-EU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317 (Google Spain/Costeja)

Onderwerp: Privacy, persoonsgegevens, recht op vergetelheid, vrijheid van meningsuiting, zoekmachines

Geschil: De Spaanse krant La Vanguardia Ediciones publiceerde in 1998 twee aankondigingen van een openbare vastgoedveiling om de socialezekerheidsschulden te innen. In deze publicaties werd Mario Costeja González aangeduid als de eigenaar van het onroerend goed. De aankondigingen werden online gepubliceerd. De zoekopdracht “Mario Costeja González” in Google toonde links naar deze publicaties van La Vanguardia. González vroeg de uitgever om de informatie te verwijderen, omdat zijn financiële problemen tot het verleden behoorden en de informatie niet langer relevant was. De uitgever weigerde de informatie van de website te verwijderen. González benaderde ook Google Spain met het verzoek om de zoekresultaten te verwijderen. Aangezien ook Google weigerde, diende González een klacht in bij de Spaanse toezichthouder, die uitsluitend zag op het verzoek omtrent het verwijderen van zoekresultaten door Google.

Uitspraak: Een zoekmachine als Google “vindt” en “indexeert” de persoonsgegevens, die zij vervolgens “opslaat” op haar servers en “ter beschikking stelt” aan haar gebruikers. Het hof is van oordeel dat deze activiteiten als “verwerking” kwalificeren en dat zoekmachine Google bovendien kwalificeert als “verantwoordelijke” zoals bedoeld in de Privacyrichtlijn. Google is immers verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens die verschijnen op webpagina”s die door derden worden gepubliceerd. Het hof stelt ook vast dat de betrokkene het recht heeft om de verwijdering van bepaalde koppelingen (weblinks) te vragen naar bepaalde door derden gepubliceerde webpagina’s waarop informatie van die persoon is te vinden (recht om vergeten te worden), zelfs als de gegevens in eerste instantie rechtmatig werden verwerkt of juist waren. Na verloop van tijd kunnen deze gegevens nog steeds onverenigbaar worden met de Privacyrichtlijn wanneer de persoonsgegevens ontoereikend, niet ter zake dienend of bovenmatig zijn in verhouding tot de doeleinden waarvoor ze werden verwerkt en in verband met de verstreken tijd.

Link: Klik hier voor de volledige tekst van het arrest.

HvJ-EU 27 maart 2014, C-314/12 ECLI:EU:C:2014:192 (UPC TeleKabel Wien)

Onderwerp: Auteursrechtinbreuk, internet service providers, belangenafweging

Geschil: Op de website www.kino.to konden internetgebruikers auteursrechtelijk beschermde films downloaden of streamen waarvoor de rechthebbenden geen toestemming hadden gegeven. Om een einde te maken aan de auteursrechtinbreuken op de website hebben de rechthebbenden een procedure aangespannen voor de Oostenrijkse rechter met het verzoek om UPC Telekabel Wien, een grote Oostenrijkse internetprovider, te verplichten de toegang tot de website te blokkeren. Tijdens de procedure werd enerzijds de vraag gesteld of het inderdaad aan een internet service provider kan worden verboden om toegang tot een bepaalde website te verlenen, zonder dat de te nemen maatregelen worden gespecificeerd die door de provider moeten worden getroffen. Anderzijds gaat de procedure in op de vraag of de internetprovider zich kan onttrekken aan dwangsommen door aan te tonen dat de provider alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs mogelijk waren.

Uitspraak: Het Europees Hof oordeelt dat het een internet service provider kan worden verboden om zijn klanten toegang te verlenen tot een website, zonder dat daarbij de specifieke maatregelen worden geconcretiseerd die moeten worden genomen. Voor een rechterlijk bevel als zodanig is het echter noodzakelijk om een juist evenwicht te vinden tussen enerzijds auteursrechten en naburige rechten en aan de andere kant de vrijheid van ondernemerschap en de vrijheid van informatie van internetgebruikers. De vaststelling van een rechterlijk bevel zoals dat in het hoofdgeding aan de orde is, beperkt deze vrijheid van ondernemerschap, maar lijkt geen inbreuk te maken daarop. Het rechterlijk bevel laat het aan de internetprovider over om te bepalen welke specifieke maatregelen moeten worden genomen en stelt hem in staat om zijn aansprakelijkheid te vermijden door aan te tonen dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen.

Link: Klik hier voor de volledige tekst van het arrest.

HvJ-EU 24 november 2011, C-70/10, ECLI:EU:C:2011:771 (Scarlet/Sabam)

Onderwerp: Auteursrechtinbreuk, algemene filterverplichting, rechterlijk bevel

Geschil: De Belgische Vereniging van Auteurs, Componisten en Uitgevers SABAM ontdekte in 2004 dat internetgebruikers van Scarlet auteursrechtelijk beschermde werken in de catalogus van SABAM van het internet downloadden, zonder de toestemming te hebben en zonder royalty’s te betalen. De downloads vonden plaats via “peer-to-peer” netwerken. Scarlet heeft in haar hoedanigheid van internetprovider van SABAM de opdracht gekregen een einde te maken aan deze inbreuken op het auteursrecht door het voor haar klanten onmogelijk te maken om door middel van “peer-to-peer”-software elektronische bestanden met een muziekwerk uit het repertoire van SABAM te verzenden of op enigerlei wijze te ontvangen. Scarlet stelde dat het bevel niet in overeenstemming was met het EU-recht omdat het Scarlet een algemene toezichtverplichting oplegde, hetgeen in strijd is met artikel 15 van de E-commerce richtlijn. Het Belgische gerechtshof vraagt het Europese Hof van Justitie of het een nationale rechter is toegestaan om een internetprovider bij wijze van preventieve maatregel uitsluitend op eigen kosten en voor onbepaalde tijd, te verplichten een systeem te installeren voor het filteren van alle elektronische communicatie, zodat illegale downloads van bestanden kunnen worden opgespoord.

Uitspraak: Het Europees Hof heeft geoordeeld dat het Unierecht zich verzet tegen de toewijzing van een rechterlijk bevel door een nationale rechter die een internetprovider verplicht een algeheel filtersysteem te installeren om het illegaal downloaden van bestanden te voorkomen. Een rechterlijk bevel als zodanig is niet in overeenstemming met het verbod om een dergelijke internetprovider een algemene toezichtverplichting op te leggen, noch met het vereiste om een juist evenwicht te vinden tussen het recht op intellectuele eigendom en de vrijheid van ondernemerschap, het recht op bescherming van persoonsgegevens en de vrijheid om informatie te ontvangen of te verstrekken.

Link: Klik hier voor de volledige tekst van het arrest.

HvJ-EU 12 juli 2011, C‑324/09, ECLI:EU:C:2011:474 (L’Oréal/eBay)

Onderwerp: Gebruik van merken, merkinbreuk, aansprakelijkheid, vrijstelling van aansprakelijkheid

Geschil: L’Oréal heeft een procedure aangespannen tegen online marktplaats eBay en een derde verkoper die L’Oréal producten te koop aanbiedt op eBay, zonder toestemming van L’Oréal. eBay gebruikt het merk van L’Oréal ook als trefwoord in Google voor de advertentie (in het kader van Google AdWords). Volgens L’Oréal maakt eBay daarmee inbreuk op haar merkrechten, of is zij in ieder geval verantwoordelijk voor de merkinbreuken die door haar derde verkopers worden gepleegd op het platform.

Uitspraak:

Merkenrecht

Het ter beschikking stellen van testmonsters en demonstratieverpakkingen door de merkhouder aan distributeurs wordt beschouwd als “in de handel brengen” in de zin van de Merkenrichtlijn en de Verordening inzake het Gemeenschapsmerk. De merkhouder kan zich verzetten tegen het in de handel brengen van producten waarvan de wederverkoper de buitenverpakking heeft verwijderd, wanneer deze (i) essentiële informatie (zoals de identiteit van de fabrikant) mist of (ii) de merkhouder kan aantonen dat het verwijderen van de verpakking schadelijk is voor het imago van het product c.q. de reputatie van het merk.

Het Europees Hof merkt voorts op dat reclame in Google met de merken van de merkhouder, waarbij wordt verwezen naar aanbiedingen voor de verkoop van producten van L’Oréal, geen “gebruik” van het merk is in de zin van artikel 5, lid 1, sub a, van de Merkenrichtlijn juncto artikel 9, lid 1, sub a, van de Verordening inzake het Gemeenschapsmerk, voor zover de advertenties op Google reclame maken voor de eigen elektronische marktplaats van de merkhouder. Het gaat echter wel om “gebruik” door het platform zelf, voor zover het platform reclame maakt voor het specifieke aanbod tot verkoop van de producten van het merk door derde verkopers op de elektronische marktplaats.

Aansprakelijkheid

eBay kan zich niet beroepen op de uitzondering van de aansprakelijkheid voor diensten van de informatiemaatschappij uit artikel 14 van de E-commerce richtlijn, aangezien zij een actieve rol heeft die haar automatisch kennis van of controle over de opgeslagen gegevens geeft. Volgens het Europees Hof kunnen dienstverleners zoals eBay zich dus niet beroepen op deze vrijstelling. eBay heeft geen neutrale rol omdat zij verkopers op het platform hulp aanbiedt, zoals de bevordering van verkoopaanbiedingen en de optimalisering van de wijze waarop deze worden weergegeven.

Als een beheerder van een elektronische marktplaats geen actieve rol heeft, kan er volgens het Europees Hof alsnog geen beroep worden gedaan op de vrijstelling voor aansprakelijkheid indien de online marktplaats op de hoogte was van feiten of omstandigheden op grond waarvan een behoedzame marktdeelnemer had moeten vaststellen dat de betrokken verkoopaanbiedingen onrechtmatig waren en, indien hij deze kennis had, niet prompt heeft gehandeld overeenkomstig artikel 14, lid 1, sub b, van de E-commerce richtlijn.

Link: Klik hier voor de volledige tekst van het arrest.

HvJ-EU 23 maart 2010, C-236/08 – C-238/08, ECLI:EU:C:2010:159 (Google France/Louis Vuitton)

Onderwerp: Merkinbreuk, AdWords, zoekmachines

Geschil: Google biedt de betaalde zoekmachineadvertentiedienstdienst “AdWords” aan. Deze dienst stelt bedrijven in staat om één of meerdere trefwoorden te “claimen”, om zo een toppositie in de zoekmachine te verkrijgen. Onder het kopje “gesponsorde links” verschijnt een advertentielink met een korte reclameboodschap wanneer een internetgebruiker op het betreffende zoekwoord zoekt. Merkhouder Louis Vuitton werd zich ervan bewust dat de vermelding van haar merk als trefwoord “gesponsorde links” toonde naar websites die imitatieversies van de producten van Louis Vuitton aanbieden en naar sites van concurrenten. Daarom is er een aantal procedures aangespannen tegen Google voor verklaringen voor recht dat zij inbreuk heeft gemaakt op de merken van Louis Vuitton.

Uitspraak: Het Europees Hof oordeelt dat een dienstverlener, die de technische voorwaarden schept voor het gebruik van een teken en betaald wordt voor die dienst, zelf geen gebruik hoeft te maken van het teken. Adverteerders toestaan om een trefwoord te kopen dat overeenkomt met de merken van hun concurrenten vormt geen merkinbreuk door Google, aangezien zij het merk zelf niet “gebruikt”.

Link: Klik hier voor de volledige tekst van het arrest.