020 530 0160

EU Hof: ga niet lichtvaardig om met privacybescherming, lidstaten en autoriteiten

Gepubliceerd op 29 januari 2008 categorieën 

Het Europese Hof van Justitie heeft vandaag  besloten dat lidstaten niet verplicht zijn om de verplichting op te leggen om NAW-gegevens te verstrekken in civiele procedures, in een situatie als die tussen Promusicae had Telefónica.


En, dat zowel de lidstaten als de autoriteiten en rechterlijk instanties bij de implementatie en de uitleg van de richtlijnen en geïmplementeerde wetgeving rekening moeten houden met een juist evenwicht tussen de verschillende grondrechten en andere beginselen van het gemeenschapsrecht, zoals het evenredigheidsbeginsel.

De onderliggende boodschap lijkt te zijn: ‘ga niet lichtvaardig om met privacybescherming van de privacy.’
Er dient een juist evenwicht te zijn tussen en evenredigheid te zijn bij de afweging van, de belangen (bescherming van de IE-rechten enerzijds en de bescherming van de privacy anderzijds).

Wat is het geval?

In Spanje had de vereniging Promusicae (Productores de Musica de España, vergelijkbaar met NFPI of Stichting Brein) de telecom/internet provider Telefónica verzocht de NAW-gegevens van personen te verstrekken.

Volgens Promusicae gebruikten deze personen het peer-to-peer programma „KaZaA”, om via de gedeelde map van hun personal computer toegang te verlenen tot muzieknummers waarvan de exploitatierechten toebehoren aan de leden van Promusicae. 

Promusicae kreeg in eerste instantie gelijk bij de Spaanse handelsrechtbank in Madrid (Juzgado de lo Mercantil).

Telefónica tekende vervolgens verzet aan tegen deze voorlopige maatregel. Zij stelde dat op basis de betreffende Spaanse wet (Ley 34/2002 de servicios de la sociedad de la información y de comercio electrónico (Wet inzake de diensten van de informatiemaatschappij en de elektronische handel) (“LSSI”) de door Promusicae gevraagde gegevens slechts mogen worden verstrekt in het kader van een strafrechtelijk onderzoek of wanneer dit nodig is ter waarborging van de openbare veiligheid en de landsverdediging, maar niet in het kader van een civiele procedure of als voorlopige maatregel voorafgaand aan een dergelijke procedure.


Volgens Promusicae diende het betreffende artikel 12 LSSI in overeenstemming met verschillende bepalingen van de E-commerce- , Auteursrecht- en IE-Handhavings- richtlijnen (2000/31, 2001/29 en 2004/48) en met de artikelen 17, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te worden uitgelegd, die de lidstaten niet de mogelijkheid bieden om de verplichting tot verstrekking van de betrokken gegevens te beperken tot de in deze wet met name genoemde gevallen.


De Spaanse rechtbank heeft toen het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Kunnen de lidstaten volgens het gemeenschapsrecht en meer in het bijzonder de artikelen 15, lid 2, en 18 van richtlijn [2000/31], artikel 8, leden 1 en 2, van [richtlijn 2001/29], artikel 8 van richtlijn [2004/48] en de artikelen 17, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepalen dat operatoren van elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten, telecomproviders en hostingproviders de verbindings‑ en verkeersgegevens betreffende elektronische communicaties die tijdens de verstrekking van een dienst van de informatiemaatschappij tot stand zijn gebracht, slechts ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek of ter waarborging van de openbare veiligheid en de landsverdediging, en dus niet ten behoeve van civiele procedures, dienen te bewaren en ter beschikking te stellen?”


Het Hof vraagt zich daarvoor eerst af of richtlijn 2002/8 uitsluit dat de lidstaten ter verzekering van de doeltreffende bescherming van het auteursrecht de verplichting opleggen om persoonsgegevens mee te delen teneinde de houder van het auteursrecht in staat te stellen op grond van dit recht een civiele procedure in te stellen.

Het Hof komt tot de conclusie dat dat niet het geval is (r.o. 54), maar dat ook niet kan worden gesteld dat artikel 15(1) van de richtlijn de lidstaten dwingt om in de daarin genoemde gevallen een dergelijke verplichting op te leggen (r.o. 55).

Voorts loopt het Hof langs de door de Spaanse rechter aangehaalde E-commerce- , Auteursrecht- en IE-Handhavings- richtlijn (2000/31, 2001/29 en 2004/48) om te bezien of de lidstaten krachtens die richtlijnen gehouden zijn om die verplichting (verstrekking van gegevens) op te leggen. Ook hier komt het Hof tot de conclusie dat deze richtlijnen niet vereisen dat de lidstaten een dergelijke verplichting opleggen (r.o. 58 en 59).

Vervolgens overweegt het Hof dat de TRIPs-overeenkomst evenmin zodanige verplichting oplegt aan de lidstaten (r.o. 60).

Tot slot neemt het Hof de bepaling van artikelen 17 en 47 Handvest betreffende de bescherming van het eigendomsrecht en het recht op een doeltreffend beroep daarop in ogenschouw, alsmede de bescherming van de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer (artikelen 7 en 8 Handvest). Alle zijn fundamentele rechten.


Het Hof stelt dan ook in r.o. 65:


“Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing werpt aldus de vraag op hoe de vereisten inzake de bescherming van verschillende grondrechten, namelijk enerzijds het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds het recht op bescherming van de eigendom en het recht op een doeltreffend beroep, met elkaar kunnen worden verzoend.”


Vervolgens komt het Hof tot de volgende overwegingen en tot slot het antwoord:
“66         De regeling die het mogelijk maakt om een juist evenwicht te vinden tussen deze verschillende rechten en belangen, is vervat in richtlijn 2002/58 zelf, die immers regels bevat die bepalen in welke situaties en in hoeverre de verwerking van persoonsgegevens geoorloofd is en welke beschermingsmaatregelen dienen te worden genomen, alsook in de drie door de verwijzende rechter genoemde richtlijnen, die een voorbehoud maken voor het geval dat de maatregelen die zijn vastgesteld ter bescherming van de hierin vastgestelde rechten, afbreuk zouden doen aan de bescherming van persoonsgegevens. Verder dient deze regeling voort te vloeien uit de nationale bepalingen die de lidstaten ter omzetting van deze richtlijnen vaststellen, en uit de toepassing ervan door de nationale autoriteiten (zie in die zin met betrekking tot richtlijn 95/46 arrest Lindqvist, reeds aangehaald, punt 82).


67      De bepalingen van bovengenoemde richtlijnen zijn vrij algemeen, aangezien zij voor een groot aantal uiteenlopende situaties in alle lidstaten moeten gelden. De hierin vervatte regels laten de lidstaten dus logischerwijs een – noodzakelijke – beoordelingsmarge om uitvoeringsmaatregelen vast te stellen die kunnen worden aangepast aan de verschillende denkbare situaties (zie in die zin arrest Lindqvist, reeds aangehaald, punt 84).


68      Bij de omzetting van bovengenoemde richtlijnen moeten de lidstaten niettemin erop toezien dat zij zich baseren op een uitlegging daarvan die het mogelijk maakt een juist evenwicht tussen de verschillende door de communautaire rechtsorde beschermde grondrechten te verzekeren. Bij de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter omzetting van deze richtlijnen moeten de autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten vervolgens niet alleen hun nationale recht conform deze richtlijnen uitleggen, maar er ook op toezien dat zij zich niet baseren op een uitlegging van deze richtlijnen die in conflict zou komen met deze grondrechten of de andere algemene beginselen van gemeenschapsrecht, zoals het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin arrest Lindqvist, reeds aangehaald, punt 87, en arrest van 26 juni 2007, Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a., C 305/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 28).


69      Dienaangaande dient er verder aan te worden herinnerd dat de gemeenschapswetgever in artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58 uitdrukkelijk heeft bepaald dat de in dit lid bedoelde maatregelen door de lidstaten dienen te worden vastgesteld met inachtneming van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, met inbegrip van de beginselen als bedoeld in artikel 6, leden 1 en 2, EU.


70      Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat de lidstaten volgens de richtlijnen 2000/31, 2001/29, 2004/48 en 2002/58 niet gehouden zijn, in een situatie als die van het hoofdgeding de verplichting op te leggen om ter verzekering van de doeltreffende bescherming van het auteursrecht in het kader van een civiele procedure persoonsgegevens te verstrekken. De lidstaten dienen er krachtens het gemeenschapsrecht bij de omzetting van deze richtlijnen wel acht op te slaan dat zij zich baseren op een uitlegging daarvan die het mogelijk maakt een juist evenwicht tussen de verschillende door de communautaire rechtsorde beschermde grondrechten te verzekeren. Bij de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter omzetting van deze richtlijnen moeten de autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten vervolgens niet alleen hun nationale recht conform deze richtlijnen uitleggen, maar er ook acht op slaan dat zij zich niet baseren op een uitlegging van deze richtlijnen die in conflict zou komen met deze grondrechten of de andere algemene beginselen van gemeenschapsrecht, zoals het evenredigheidsbeginsel.”


Lees hier het volledige arrest.

Bron: EU Hof van Justitie
Deze blog is automatisch geïmporteerd uit een oudere versie van deze website. Daarom is de lay-out mogelijk niet perfect.
Deel:

auteur

Menno Heerma van Voss

publicaties

Gerelateerde artikelen